Herinneringen aan buurvrouw Baronesse Van Heeckeren

IK BEN GEEN VEULEN!!


Waar nu de fraaie huizen van de families Noordman en Albada staan woonde vanaf 1972 baronesse Cea van Heeckeren aanzienlijk minder riant in pandjes die ooit behoorden aan de families Veltman en Thibaudier.
Je reed over de Delbuursterweg en ongeveer halverwege sloeg je af het weiland in (toen nog grasland van Harmen Thibaudier) en kwam je bij het eerste huis terecht, omzoomd door een indrukwekkende tuin met zicht op het achterste huisje
.
Waarom de baronesse dat er ooit bijkocht?

Ze had geen trek in mensen die langs flaneerden.
Wat ze zich evenwel te laat realiseerde was dat Harmen Thibaudier recht van reed had en met zijn twee paarden rakelings langs het eerste huis – dwars door de tuin – denderde om bij zijn land (nu eigendom van Staatsbosbeheer) te komen.
Dat heeft tot menig aanvaring geleid kan ik u verzekeren.
Ik moest daarbij als Van Sussenburg optreden en probeerde zowel de baronesse als Thibaudier tot bedaren te brengen.
De beide buren waren nog al heet gebakerd en vaak niet voor rede vatbaar.

Woning van Baronesse Van Heeckeren

Witte handschoentjes verplicht

Mevrouw Van Heeckeren kwam oorspronkelijk uit Den Haag waar ze keurig werd opgevoed door een gouvernante. Er was ook nog een verpleegster in huis die haar vader verzorgde plus een dienstmeisje voor dag en nacht.
De gouvernante bracht Cea van Heeckeren etiquette bij zoals tafelmanieren. Ze gebood de jonge freule de handen niet verder dan de pols op de eettafel te leggen. Zonder te spreken legde ze de polsen steeds verder weer terug op de juiste plaats.
Als jong meisje werd Van Heekeren door personeel aangesproken als freule. Ze was zich niet bewust en geïmponeerd door haar adellijke titel en verweerde zich woedend met ‘Ik ben geen veulen!’
Naar dansfeesten ging ze per rijtuig, witte handschoentjes waren verplicht.
Vanaf haar twaalfde kreeg de freule paardrijles en moest ze in de deftige amazonezit (beide benen aan een kant van het paard) rijden.
 
Niet erg handig als je ter galop gaat.
Maar wijdbeens op een hengst zitten was in Haagse kringen ordinair en de goden tarten.
Maar uiteindelijk nam Van Heeckeren toch liever wijdbeens deel aan toernooien. Ze werd niet onverdienstelijk springruiter en haar briefpapier werd gesierd met een foto van de barones terwijl ze een geduchte hindernis nam.

Van Heeckeren gaf blijk van deftige bescheidenheid en had uitstekende manieren. Ik nam haar af en toe mee naar keurige restaurants
Ze at met de vork met de bolle kant naar boven, zoals het betaamd in goede kringen.
Bij u en mij glijdt het voedsel onmiddellijk van de vork, bij de baronesse bleef het keurig in balans.
Probeert u het eens, geachte lezer.

 
 
Van Heeckeren neemt een hindernis
met haar paard. Rond 1940
Jopie Slingeraap

Mevrouw Van Heeckeren had een talent voor het benaderen van foute mannen, charlatans en klusjesfiguren die met de beste wil nog geen spijker in de muur kregen.
Ze had een voorliefde voor jongemannen.
Dat verlangen kwam voor uit het verdriet over haar omgekomen zoon, op de vliegbasis Leeuwarden.
Haar beide huizen – ik zal het voorzichtig opschrijven – verkeerden in rampzalige toestand. Vooral het achterste huisje was aan grondige renovatie toe.

Haar grote verlangen was dat het achterste huisje in picobello staat werd opgeknapt.
Aanvankelijk verrichte haar ‘verloofde’ (zekeren Jan de V.) hand- en spandiensten. Ze had de man in een café ontmoet en hij was genegen zich in te spannen en op een ladder te klimmen.
Maar graag eerst een voorschotje.
En nog één.
U raad het al: van de renovatie van het huis kwam niets terecht. Justitie moest er aan te pas komen om de voorschotten terug te krijgen.
Maar: geen nood.
Mevrouw Van Heeckeren trof in een Balkster Café een nieuwe dienstwillende, zekere Jopie Slingeraap dien zijn bijnaam te danken had aan het overmatig drankgebruik.
Maar zo zei barones hoopvol, je moet elk mens een tweede, derde en vierde kans geven.
Dat heeft ze geweten.

Jopie begon met de moed der wanhoop met het opknappen van het één en ander, nu onder toeziend oog van de Barones.
Ook Jopie begeerde voorschotjes: voor spijkers enzo.
Maar die verkocht de kastelein niet.
Lang verhaal kort te maken: het ging voor de zoveelste keer helemaal mis. De heer Slingeraap viel van het dak en er ontstond nadien een heftig conflict tussen werkbever en werknemer.
Staande op het dak ontdekte Jopie mijn huis en besloot daar – in de natte januarimaand – in te breken.
Ik verbleef toen in Amsterdam.

Hij was zo dronken dat hij, na mijn deur te hebben open gebroken, was vergeten wat hij kwam doen. Hij ging met zijn modderschoenen in mijn bed liggen en sliep zijn roes uit.
’s Morgens wist hij weer dat hij inbreker was. Hij pikte enkele olielampjes en koperen schalen en bracht die regelrecht naar de kastelein en meldde dat hij de spullen onderweg had gevonden.
De kastelein schakelde (voor de zoveelste keer) de politie in.

Niet veel later bezocht ik de brave ouders van Jopie, wonend tegenover het kerkhof van Ruigahuizen.
Ze schaamden zich dood over ‘hun jongen’ en wilden graag de schade betalen en hun excuus aanbieden dat vanzelfsprekend werd geaccepteerd.
Ik zal u onsmakelijke details besparen maar ik ben ruim een week bezig geweest om mijn huis weer een beetje toonbaar te krijgen….

 
Liefde voor levende have
Cea van Heeckeren (zelf één en al hoffelijkheid en beleefdheid) relativeerde deze karaktertrek altijd mooi.
‘Kijk Dick, met beleefdheid krijg je veel meer gedaan. Maar het is eigenlijk de meeste genietbare vorm van huichelarij en vrijwel iedereen die beleefd is beseft dat ook!
Alleen bij haar dieren was ze volkomen zichzelf.
De baronesse had een zorgloos leven en genoot volop van haar fraaie tuin en levende have.
Ze bezat ook nog een huis op Ameland en verder waren er talloze boerderijen Van de van Heeckerens in Twente die werden verpacht.
Ze was verzot op paarden en pony’s.
Haar grote droom was om met haar ponnykar tochtjes te maken door de Bremer Wildernis.
Ze wilde graag nog veulens.
Toen ze daar naar informeerde bij de veearts bleek haar ponny al 25 jaar oud te zijn.


Cea van Heeckeren overleed in 1997 en werd begraven op het mooie kerkhof van Ruigahuizen aan de rand van de Breemer Wildernis.
Stoffel de Boer die haar begeleidde in de laatste jaren van haar leven verzorgde het graf dat hij versierde met zwerfstenen.

Dick Walda, aug 2011


Haar graf op het rustieke kerkhof van Ruigahuizen