Gebroeders begroeven paard in de wei
De rijkspolitie van Gaasterland heeft procesverbaal opgemaakt tegen de gebroeders 
Willem en Jelte Eppinga in Sondel. Zij hebben in de buurt van hun boerderij een paar weken geleden een paard begraven. Het proces verbaal houdt overigens niet in dat het graf weer opengemaakt moet worden. 
Het paard mag in zijn laatste rustplaats, die de gebroeders Eppinga met veel piėteit geschapen hebben blijven. 
Het paard was ongeveer twintig jaar oud toen het stierf. De gebroeders maakten met een dragline een diep gat in een weiland. Dat was verboden. Het kadaver van het paard had volgens de wet opgehaald moeten worden door de kadaverfabriek van Suameer.
De heer Willem Eppinga verklaarde dat het paard ongeveer een jaar gelden echt minder begon te worden. 
De veearts had de hint al gegeven: ,,Romje him mar op", maar dat stuitte de Eppinga's tegen de borst. 
Het dier - een schimmel van het Groninger type - had op de trekkerloze boerderij jarenlang zijn werk gedaan en nooit iemand een schop gegeven. 
Zo'n dier maak je niet af als het minder wordt. Toen de schimmel een maand geleden de laatste adem uitblies, besloten de gebroeders Eppinga het paard ,,onder het zachte ruisen van de bomen bij zonsondergang" te begraven; om daarmee het verscheiden van het leven te symboliseren.

Op de plek waar het paard stierf werd een kuil van drie meter diep gegraven. 
De heer Willem Eppinga spreekt in dit verband van een ,,gedoopt paard". Gedoopte dieren op de boerderij van de Eppinga's zijn die dieren, die trouw hun werk doen en waaraan zij ,,de belofte" hebben gedaan ze niet te verkopen.
Op het erf van de gebroeders Eppinga zijn meer dieren begraven. Onder een steen ligt een dierbare hond. 
En zo zijn er meer plekken aan te wijzen. ,,Us hiele hiem in tsjerkhōf? Sa soene jo it al hast neame kinne", aldus de heer Willem Eppinga.

Bron: Leeuwarder Courant 12 september 1978