De winter van 1824 op 1825 had weinig vorst, maar veel regen gebracht. De 15de November en 7de December 1824 hadden stormen uit het noordwesten gewoed, gepaard met hoge vloeden, waardoor de zeedijken veel geleden hadden.
Het water in de Noord- en Zuiderzee had een hoge stand gekregen. Dinsdag 1 Februari was een zachte, zelfs zoele dag, met een koelte uit het zuidwesten. De dag erna echter was de zee reeds zeer verbolgen en liep de wind met vlagen het kompas in het rond.
De volgende dagen, 3, 4 en 5 Februari werd het noodweer.
De wind was voor onze kusten, naar een gevaarlijke hoek gelopen en nam voortdurend in kracht toe. De avondvloed van 3 Februari was de eerste na volle maan, het was dus de periode van springtij.
Al deze oorzaken werkten samen om het zeewater op te voeren tot ongekende hoogten. Een watermassa, drie dagen voort-gezweept door een stormwind, vergezeld van hagel- en onweersbuien, teisterden de paalwerken, vernielde op verschillende plaatsen de aarden dijken of stroomde er overheen, de provincie binnen.

In de vroege morgen van de 4de Februari drong het water met veel geweld over de zeewering voor de Hoiteburen, tussen Oudemirdum en Nijemirdum gelegen.
Binnen korte tijd baanden de golven zich een weg door de dijk. Eén der gaten was 15 meter breed. Het water stroomde spoedig over de landerijen richting de boerenhoeves.
Het water baande zich een weg richting Hooibergen onder Nijemirdum.

Dit gedeelte tussen Oude- en Nijemirdum was particulier bezit van de douairière Rengers en de Erven Wyckel en werd in particuliere middelen onderhouden, terwijl ook de huurders van de boerderijen aldaar hun steentje jaarlijks moesten bijdragen. Juist daar was een zwakke plek ontstaan en dat lag wel voor de hand, vond men.

 
Het water steeg tot grote hoogtes in de huizen en stallen, dat het vee nauwelijks de kop boven konden houden. De bewoners zochten hun toevlucht tot de zolders. Ook werden de landerijen en polders ten zuiden en zuidwesten van Sondel gelegen, zo ver het oog reikt door het zeewater tot bijna anderhalve meter overstroomd.
Van de weg van Tacozijl naar Sondel was niets meer te zien.
Vele bewoners van Nijemirdum hadden de nacht van 4 en 5 februari zeer zorgelijk doorgebracht. Deze morgen zijn door vele bewoners van deze 'Grietenij' zwaar onweer waargenomen.

De omstreken van Balk werden overstroomd op de 4
de Februari door de vloed die uit het zuiden noordwaarts liep en bij nieuwe aanvoer telkens hoger rees. Hier was het water trouwens zeer langzaam gekomen en niet plotseling zoals in Sondel en Nijemirdum.
De hooggelegen dorpen Sondel, Oudemirdum en Harich was een goede schuilplaats voor mens en dier. Liefderijk ontving men allen, die door de ramp getroffen waren.

Het dorp Balk, dat ook in de lagere gedeelten overstroomd was, bleef niet nalatig, maar onderscheidde zich lofwaardig door vele runderen uit naburige plaatsen op te nemen en te verzorgen. Niemand verloor rundvee of had zware schade. De volgende dag zakte het water naar de lage landen onder Sondel en Wijckel, zodat het gevaar was geweken.
1965, Vanaf de rotonde nu, is te zien dat de nieuwe Sondeler polder met water is onder-gelopen.
In de verte de
bomenrij van vijf  aan de Sondelerdyk. Op de plek van de windmolen  staat nu het bedrijf van Jacobus en Brenda. 

Foto: M.P vd Goot
 
Een bewoner van Beuckenswijk te Sondel, de heer Bavius Anthonius van Hylckama, die ooggetuige was schreef op 12 maart 1825 het volgende;
Aanhoudend beukte de storm op de dijken onder Sondel en Nijemirdum, dan weer uit het zuidwesten, en dan weer uit het noorden. Toch maakte men zich meteen nog geen zorgen, daar het in november van het vorige jaar veel erger was geweest. Zelfs als het ergste zou gebeuren, zou het water wel in de huizen komen, maar het vee zou gespaard blijven.
Zo was het ook geweest bij de vloed van het jaar 1776, die door verhalen van ouders en grootouders nog vers in het geheugen lag. Op de muren stonden nog wel merktekens hoe hoog het water toen in de huizen had gestaan.
Vaak dwaalden de ogen van de angstige bewoners naar die tekens, als er weer zo'n geweldige windstoot tegen het huis ramde en als het gieren en huilen van de storm maar niet tot bedaren kwam..........

Op de 4
de 's middags was het land al voor drievierde ondergelopen. De mensen werden toch nog overrompeld, toen de dijk het begaf. Spoedig stonden de beide verste boerderijen bewoond door Johannes Lyckles Wierstra en Bokke Rommerts, tot de daken in het zeewater. Wierstra had nog kans gezien acht koeien bij zijn vader, die in het hoger gelegen Sondel woonde , op stal te brengen.

Bokke Jelles de Vries was opzichter van jacht en visserij in Gaasterland. hij woonde in Sondel en had daar een boot liggen. Overhaast werd die per wagen naar de Groene Singel gebracht, waar hij ter water werd gelaten. Bokke Jelles zelf en Hendrik Harmens, ook van Sondel boomden de boot waar ze drinkwater en voedsel in hadden geladen, tegen de wind en golven in naar die plaatsen, die het meest voor hulp in aanmerking kwamen. Ze konden zomaar de boerenschuren binnenvaren, de mendeuren stonden wijd open. Ze vonden de mensen op het hooi en op zolder.
Op de morgen van de vierde Februari bezweek de Súdfinsterdyk nabij Rijs en Mirns het. Gevolg, de laag gelegen weilanden en de weg tussen Oudemirdum en Rijs liep onder. Het water was langs de Rijster bossen gestroomd en doorgedrongen tot de Wouddorpen in Hemelumer Oldephaert.
Hoewel Wyckel vrij hoog ligt, moesten de bewoners toch vluchten. De weg Wyckel-Sloten stond 90 cm onder water.

De stad Sloten heeft als hooggelegen weinig schade ondervonden van de vloed. De vrijdagsavond ervoor zag men dat het water aan de lage zijde van de stad hoger werd dan normaal. Men wist nog niets van een doorbraak in de dijk bij Hoiteburen.'s Nachts kwam het water opzetten en steeg het in sommige huizen tot een 60 centimeter toe.
Tacozijl prijst zich gelukkig dat het hooggelegen is bij zovele overstromingen. Negen gezinnen en enig vee zijn aldaar gehuisvest en verzorgd.

Op zondag 5 Februari ging de wind liggen. Het water van Hooibergen verspreidde zich over de lagere landen achter Sondel en Lemsterland. Zo plotseling als het gekomen was, zo snel verdween het water ook weer.
6 Februari waren de wegen naar Sondel op enkele stukjes na weer redelijk begaanbaar.

Wel waren er een vijftig tal schapen verdronken. En enorme schade aan huizen, inboedels, hekken, dammen, afrasteringen en bouwlanden aangericht. Er waren geen mensenlevens te betreuren.

De Zeedijk van Tacozijl tot nabij de Lemmer had niet veel schade opgelopen. De dijken tussen Kuinre en Vollenhove werden een grote gatenkaas.

 

    Riedo.nl, Nov. 2011
Bron oa.
Land en mens van Gaast en Klif.
Geschiedkundige tafereel van den watervloed  en
overstroomingen in de provincie Vriesland.